![]() |
Mooi, maar gevaarlijkDe dodelijke schoonheid van kometen en planetoïdenTom Gehrels en Eddy EchternachDe kans dat je als mens aan je einde komt door de inslag van een komeet of planetoïde lijkt astronomisch klein. Grote inslagen zijn immers betrekkelijk zeldzaam. Maar we vergeten dan dat de gevolgen van een grote inslag enorm kunnen zijn, wellicht zelfs wereldomvattend. Betrek je het grote aantal slachtoffers in de rekensom, dan ontdekt je dat elk mens een kans van 1 op 5000 loopt dat hij door een grote inslag aan zijn einde komt. Sterrenkundigen zijn druk bezig de risico's in kaart te brengen.
Kometen en planetoïden zijn de overblijfselen van het ontstaan
van ons zonnestelsel. Ze zijn gevormd uit hetzelfde gas en stof dat ook
in grote wolken tussen de sterren van de Melkweg wordt waargenomen. De
afzonderlijke stofdeeltjes zijn dermate klein dat je ze zelfs niet kunt
zien als ze op je hand liggen; ze meten slechts ongeveer een duizendste
van een millimeter. Maar uit grote hoeveelheden van dat gas en stof ontstaan
complete sterren en is ook ons zonnestelsel voortgekomen. (Zie ook het
mei-nummer van 1999 van Zenit; voor een technische beschrijving van het
ontstaan van sterren en planeten, zie Mannings et al. 2000.)
BaanstoringenOp aarde was inmiddels de eerste aanzet voor het ontstaan van leven gegeven, hetgeen ongeveer 500 miljoen jaar geleden resulteerde in de geleidelijk versnellende evolutie van hogere soorten. Er verschenen grote gewervelde dieren, zoals de dinosauriërs, die ongeveer 100 miljoen jaar over de aarde heersten. Maar 65 miljoen jaar geleden verdwenen ze opeens. Inmiddels is duidelijk geworden dat hun ondergang het gevolg was van de inslag van een ongeveer twaalf kilometer grote planetoïde of komeet. Waar kwam deze vandaan? Het tijdperk van de oorspronkelijke grote inslagen was toch allang voorbij?De banen van de komeetkernen in de Oortwolk zijn normaal gesproken stabiel. Maar af en toe worden de banen verstoord door de zwaartekrachtsaantrekking van een ster of een grote interstellaire wolk die op betrekkelijk geringe afstand langs het zonnestelsel zou trekken. Een andere mogelijke storingsbron is het periodieke effect dat optreedt doordat het zonnestelsel op en neer golft door het vlak van het Melkwegstelsel (het zogeheten 'Shiva-effect'; zie het artikel van De Jager elders in deze Zenit, Smoluchowski et al. 1986, Rampino en Haggerty 1996, en het overzicht in Gehrels 1999). Hoe het ook zij, uit modelberekeningen blijkt dat de baan van een komeet zodanig kan worden veranderd dat hij uit het zonnestelsel wordt geslingerd of juist in een elliptische baan terechtkomt die hem naar de binnenste regionen van het zonnestelsel voert. In het laatste geval kunnen we hem later waarnemen als een actieve komeet. Als een komeetkern de zon nadert, begint zijn ijs te verdampen tot gas dat onder hoge druk ontsnapt en daarbij stof meeneemt. Zo ontstaan de coma en de beide staarten van de komeet: de rechte gasstaart en de kromme stofstaart. Een soortgelijke baanstoring kan optreden in de planetoïdengordel, waar de banen gewoonlijk ook stabiel en vrijwel cirkelvormig zijn. Maar hier is het dermate druk dat er botsingen kunnen optreden. En als zo'n botsing plaatsvindt in de regionen waar sprake is van een ritmische, resonante ontmoetingen met Jupiter -- de zwaartekracht van de andere planeten speelt overigens ook mee -- kunnen er ingewikkelde interacties optreden. De botsingsfragmenten kunnen ofwel uit het zonnestelsel worden geslingerd of juist in elliptische banen terechtkomen die hen naar de binnenste regionen van het zonnestelsel brengen. Vraag en aanbod zijn hierbij in evenwicht. Wat na botsingen en verstoringen wordt aangeboden, wordt door de zwaartekracht van maan en planeten in dank aanvaard. (Het begrip 'dank' is natuurlijk maar betrekkelijk, want kometen brengen moleculen, maar een inslag kan rampzalige gevolgen hebben.) Hierdoor heeft een planetoïde die zich in de buurt van de vier binnenste planeten waagt een levensduur van niet meer dan een miljoen jaar. Uiteindelijk komt hij een keer in botsing met Mars, aarde of maan, Venus, Mercurius of zelfs de zon (zie Gehrels 1996). Laten we de zaken nog eens op een rijtje zetten. De voorgangers van de huidige kometen en planetoïden waren nauw betrokken bij het ontstaan van onze planeet en onszelf. Zonder hen zou er geen aarde zijn geweest en wij dus ook niet. Bovendien hebben zij een belangrijke rol gespeeld bij het verloop van de evolutie. Uit fossiele resten blijkt dat er verscheidene keren massale uitstervingen hebben plaatsgevonden. Bij een van de inslagen werden ook de vraatzuchtige dinosauriërs weggevaagd, zodat de kleinere zoogdieren meer kans op ontwikkeling kregen. En daar zijn we dan.
Het ontstaan van SpacewatchIn 1969 ontstond het idee om de speurtocht naar kleine objecten in het zonnestelsel te bevorderen door een telescoop te bouwen waarmee uitsluitend naar kometen, planetoïden en kleine planeetmanen zou worden gekeken. Het was Aden Meinel, de toenmalige directeur van het Optical Sciences Center van de universiteit van Arizona, die bij een militair project een 1,8 meter grote optische spiegel in de wacht wist te slepen. Maar de tijd bleek nog niet rijp voor een speciale 'planetoïdentelescoop'; er waren gewoon te weinig mensen op dit onderzoeksterrein actief. Toen bleek dat de planetoïdentelescoop er voorlopig niet zou komen, leende Meinel de spiegel terug voor de Multi-Mirror Telescope (MMT). Daar heeft de spiegel een decennium lang dienst gedaan, in afwachting van het moment dat zij voor het interessantere planetoïdenonderzoek zou worden ingezet. In 1993 werd de spiegel teruggegeven: eindelijk kon de bouw van de 1,8 meter Spacewatch-kijker beginnen (Perry et al. 1998).Het doel van het Spacewatch-programma is het ontdekken van kleine objecten in het zonnestelsel ten behoeve van hun statistische en dynamische geschiedenis. Dit onderzoek werd van oudsher gedaan met fotografische platen (Kuiper et al. 1958; van Houten et al. 1970, 1989, 1991), maar bij Spacewatch worden veel snellere detectors gebruikt: de charge-coupled devices (ccd's). Om de ccd-techniek te kunnen ontwikkelen werd in 1981 een oude 0,9-m Newtontelescoop beschikbaar gesteld. Het was het oorspronkelijke hoofdinstrument van de Steward-sterrenwacht, die in 1921 was opgericht op de campus in Tucson. De kijker verhuisde in 1964 naar Kitt Peak en wordt nu de Spacewatch-telescoop genoemd. Op Kitt Peak, 80 km ten westen van Tucson, staan alles bij elkaar zo'n achttien telescopen, waarvan de meeste worden beheerd door het Kitt Peak National Observatory. De universiteit van Arizona heeft er zijn eigen plek waar een paar kijkers staan, zoals de 0,9-m en nu dus ook de 1,8-m Spacewatch-telescoop. Het Spacewatch-team moet niet alleen het 0,9-m instrument 18 à 20 nachten per maand in bedrijf houden, de verzamelde gegevens analyseren en publiceren, maar ook nieuwe waarneemtechnieken ontwikkelen en de 1,8-m telescoop aan de praat krijgen.
Dit laatste instrument zou aanvankelijk een klassieke 1,8-m/F2,7 reflector
worden. Maar door chronisch geldgebrek moest de telescoop korter worden
gehouden, om op de kosten van de koepel te kunnen bezuinigen. Het resultaat
is een 'opgevouwen kijker' met een vlakke secundaire spiegel met een middellijn
van 76 cm. Deze laatste veroorzaakt zes procent extra lichtverlies, maar
men moest de telescoop nu eenmaal betaalbaar zien te houden. Bijkomend
voordeel is dat de kortere kijker minder windgevoelig is, wat het lichtverlies
misschien wel goedmaakt.
De computer kan ook overweg met objecten die al gedurende de belichtingstijd
van 146,53 seconden een spoor trekken. Maar het menselijk oog is nog beter
in staat om zulke zwakke lichtspoortjes op te merken, en tijdens de scan
kijkt de waarnemer dan ook altijd aandachtig mee. Daarbij wordt gelijk
gelet op de verschijning van zwakke kometen. Het is boeiend om te zien
hoe al die sterrenstelsels, meteoren, kunstmanen en gaswolken zo aan je
voorbij trekken!
Resultaten van SpacewatchHet gaat natuurlijk niet alleen om het ontdekken van nieuwe objecten en het verbeteren van baangegevens. Het meest belangrijk zijn de wetenschappelijke conclusies die je uit al dat onderzoek kunt trekken. Al in 1990 werd vastgesteld dat er verrassend veel meer aardscheerders met middellijnen van minder dan 100 meter waren dan men vooraf had ingeschat. Bij de grotere aardscheerders verliep het aantal ontdekkingen zoals op basis van de eerder verzamelde gegevens mocht worden verwacht.De verwachting voor het aantal kleine planetoïden was opgesteld met behulp van lineaire extrapolatie van de aantallen grotere exemplaren. De vuistregel was dus: er zijn tien keer zo veel planetoïden van 100 meter als van 1 kilometer en nog eens tien keer zo veel exemplaren van 10 meter. Maar de regel blijkt niet op te gaan voor die kleinere planetoïden: het aantal van 10 meter blijkt veertig keer zo talrijk te zijn als op basis van lineaire extrapolatie verwacht werd (Rabinowitz 1993, 1997; zie ook Scotti et al. 1991). Dat overschot is ook in overeenstemming met de waarnemingen die door militaire verkenningssatellieten zijn gedaan (Tagliaferi et al. 1994); een paar keer per jaar dringen objecten van de 10-meterklasse de aardatmosfeer binnen. De interpretatie van het overschot kende een moeilijke start. Maar toen de ruimtesonde op weg naar Jupiter de planetoïden Gaspra en Ida had waargenomen, bleek dat ook hun oppervlak de sporen van grote aantallen kleine inslagen vertoont (Chapman et al. 1996). Als bron voor de kleine inslaande objecten worden ook wel de kometen genoemd; de 'mini-planetoïden' zouden afkomstig kunnen zijn van het oppervlak en het inwendige van actieve kometen (Ceplecha 1997). Maar Rabinowitz (1997) heeft het waarschijnlijk wel bij het juiste eind als hij zegt dat de fragmenten het gevolg zijn van allerlei botsingsverschijnselen tussen planetoïden. Een ander belangrijk resultaat van het Spacewatch-programma is de ontdekking van drie objecten, (5145) Pholus, 1993 HA2 en 1995 GO, die een halve lange baanas van ongeveer 22 AE, een excentriciteit van ongeveer 0,6 en een inclinatie van bijna 20° hebben. En steeds worden er nieuwe objecten ontdekt op deze afstand tot de zon, waar toevallige ontmoetingen met (bijvoorbeeld) Uranus grote gevolgen kunnen hebben op de vorm van de baan. Het verrassende aan deze objecten is dat uit spectro-fotometrisch onderzoek is gebleken dat Pholus en HA2 veel roder zijn dan de andere hemellichamen in ons zonnestelsel, hetgeen op de aanwezigheid van organisch oppervlaktemateriaal duidt. De drie zijn duidelijk anders dan (2060) Chiron, die lang zo rood niet is en een meer cirkelvormige baan tussen Saturnus en Uranus volgt. Maar Chiron is dan ook een buitenbeentje: zijn nummer geeft aan dat het een planetoïde is, maar uit waarnemingen blijkt dat hij rond zijn kleinste afstand tot de zon kometenactiviteit vertoont. Chiron en de andere zijn lid van een nieuwe gordel van planetoïden buiten de baan van Saturnus die inmiddels 'centauren' worden genoemd. Uit statistisch onderzoek door Jedicke en Herron (1997) is gebleken dat de centaurpopulatie misschien wel net zo groot is als die van 'de' planetoïdengordel. De centauren zijn wellicht een soort overgangsgroep tussen de planetoïden in het binnenste gedeelte van het zonnestelsel en verre kometen (Bailey et al. 1992, zie ook Marsden en Steel 1994, en Valtonen et al. 1995). Door David Jewitt en andere sterrenkundigen op Hawaï is een aantal jaren geleden op grotere afstand van de zon nóg zo'n overgangsgroep ontdekt. Inmiddels zijn ongeveer honderd van deze transneptuniaanse objecten of 'ijsdwergen' ontdekt, die tot de buiten de baan van Neptunus gelegen Kuipergordel zouden behoren. De afgelopen vijf jaar is het bekende aantal objecten in het zonnestelsel enorm toegenomen!
De risico's van kometen en planetoïdenHet feit dat je ontdekt dat er veel meer kleine planetoïden zijn dan je dacht, maakt het leven op aarde er natuurlijk niet gevaarlijker op. Die planetoïden waren er altijd al. Maar langzamerhand worden we ons bewust dat de huidige rust wel eens van beperkte duur zou kunnen zijn. Zo af en toe zijn we getuige van de val van een meteoriet, zoals op 28 januari 1976 te Dhajala bij Ahmedabad in India. Na de luidruchtige aankomst van het object gaf de plaatselijke onderwijzer zijn leerlingen een vrije dag, zodat ze de omgeving konden afstruinen. Hoewel het een steenmeteoriet was, kenden de kinderen de plaatselijke woestijn zo goed, dat ze wel tien brokstukken wisten te vinden.Maar er zijn ook stille getuigen van grotere inslagen, zoals de grote Barringerkrater bij Flagstaff in het noorden van Arizona. Deze is ongeveer 40.000 jaar geleden ontstaan door een ongeveer 35 meter groot metaalrijk object. De kinetische energie die daarbij vrijkwam was ongeveer driehonderd maal zo groot als die van de ontploffing van de atoombom die in augustus 1945 Hiroshima verwoestte. Een soortgelijke inslag vond plaats in 1908, bij Toengoeska in Siberië, alwaar een ontploffing hoog in de atmosfeer plaatshad die tot in Londen werd gehoord. Ook hierbij kwamen bijna 300 'Hiroshima's' aan energie vrij, maar voor zover bekend zijn daarbij geen slachtoffers gevallen. Dat zou heel anders zijn geweest als de explosie zich had voorgedaan boven een stad als Amsterdam. De inslag zou er geen spaan van hebben heel gelaten.
Nog groter is de Ries-krater, op twee uur rijden van Frankfurt (zie
ook Zenit, mei 1994, blz. 202-205). Vanuit de kerktoren in Nördlingen
kun je zien dat het dorp in de kom van een ongeveer twintig kilometer grote
krater is gebouwd. Een algemene regel is dat de middellijnen van krater
en projectiel zich ongeveer verhouden als 20:1. Het object dat de Ries-krater
veroorzaakte moet dus ongeveer een kilometer groot zijn geweest. Uit onderzoek
aan het gesteente bij de kraterrand blijkt dat de krater ongeveer 15 miljoen
jaar geleden moet zijn ontstaan. Veertig kilometer westelijker is er nog
een tweede, kleinere krater, die net zo oud is en mogelijk door de inslag
van een satelliet van het hoofdobject is veroorzaakt.
Modelberekeningen van verschillende wetenschappelijke onderzoeksgroepen
wijzen erop dat planetoïden met middellijnen van een kilometer of
meer een mondiale holocaust kunnen veroorzaken; de kleinere, zoals die
van Arizona en Toengoeska, geven 'slechts' regionale verwoestingen. Van
die objecten van een kilometer en meer zijn er waarschijnlijk ongeveer
1700. Dat aantal is nog onzeker, maar statistisch onderzoek zal binnen
afzienbare tijd een betrouwbaarder cijfer opleveren (Rabinowitz et al.
1994). Objecten van deze grootteklasse slaan gemiddeld ongeveer eens per
330.000 jaar op aarde in. Dat lijkt geruststellend weinig, maar we moeten
ons wel realiseren dat dit slechts een statistische uitkomst is. De kans
dat het morgen gebeurt is net zo groot of klein als dat het pas over 330.000
jaar gebeurt.
Wat zijn de gevolgen van zo'n inslag? Wat bedoelt men eigenlijk met 'mondiale holocaust'? Het extreme voorbeeld is de gebeurtenis die 65 miljoen jaar geleden, op de grens van het Krijt en het Tertiair, de bron is geweest van het iridiumrijke afzettingslaagje dat overal op aarde wordt aangetroffen. Iridium is een element dat op het aardoppervlak niet veel voorkomt, maar in meteorieten wél. Als zwaarder materiaal zakte het naar het centrum van de aarde, toen onze planeet nog betrekkelijk jong en vloeibaar was. De gedachte dat het iridium afkomstig zou zijn van een kosmische inslag, ligt dus voor de hand. En inmiddels is waarschijnlijk ook de krater gevonden die bij de inslag is ontstaan. Deze krater, die genoemd is naar het nabijgelegen dorp Chixculub op het Mexicaanse schiereiland Yucatan, is bedolven onder een dikke laag modder en ligt grotendeels in zee. Hij heeft een middellijn van 180 kilometer, maar het ringenstelsel eromheen strekt zich tot op 400 km van het centrum uit. Bij de inslag van het naar schatting 12 kilometer grote object zouden enorme hoeveelheden stof zijn opgeworpen die deels in de stratosfeer terechtkwamen. Daar schermde het stof misschien wel een half jaar lang het zonlicht af, en ondertussen regende de rest neer om het paar centimeter dikke afzettingslaagje te vormen. Onder dit laagje vindt men talrijke resten van dinosauriërs, erboven blijkt driekwart van de toen bestaande plant- en diersoorten te zijn verdwenen.
Toekomstig onderzoekWe weten nu dus in grote lijnen wat planetoïden en kometen zijn, hoeveel ervan zijn en hoe vaak ze op aarde inslaan. Maar het onderzoek naar de precieze aard van deze feiten is nog in volle gang. De aanzet tot dit onderzoek werd in 1980 gegeven door het klassieke artikel van Alvarez e.a. (1980, op de hielen gevolgd door Smit en Hertogen, 1980) en verder verspreid tijdens een bijeenkomst in Colorado een jaar later. De resultaten van de onderzoeken die volgden kan men nalezen in Gehrels (1994). In dit boek geven 120 auteurs in 46 hoofdstukken een overzicht van hun resultaten betreffende de detectie van planetoïden en kometen, hun aantallen en kenmerken, modelberekeningen aan inslagen en de verschillende technieken die gebruikt kunnen worden om deze inslagen te vermijden. Inmiddels is er weer het nodige bijgeleerd, en er is ook een vervolg beschikbaar (Remo 1997).De belangrijkste taak waar de onderzoekers nu voor staan is het opsporen van de 1700 aardscheerders, die mogelijk een gevaar voor de aarde kunnen betekenen. De volgende stap is het lang genoeg waarnemen van de baanbewegingen van deze objecten: we moeten weten waar ze zich bevinden en of ze ooit in botsing met de aarde kunnen komen. Het is mogelijk dat het leeuwendeel van de 1700 aardscheerders binnen enkele tientallen jaren is opgespoord. Want Spacewatch is niet meer het enige professionele waarneemproject voor het elektronisch opsporen en waarnemen van planetoïden. En ook amateur-astronomen vinden met hun eigen ccd-apparatuur de afgelopen jaren steeds vaker nabije kometen en planetoïden. Het meest succesvolle project tot nu toe is dat van de Lincoln Laboratories, dat gebruik maakt van een nieuwe ccd die speciaal door hen is ontwikkeld.
Ted Bowell, die de leiding heeft over de Lowell Observatory Near-Earth Object Survey (LONEOS), is nu ook bezig met het opsporen van aardscheerders van een kilometer en meer. Het Near-Earth Asteroid Tracking (NEAT)-programma van Eleanor Helin van het Jet Propulsion Laboratory is in de weer met een ccd-systeem aan een telescoop op Maui (Hawaï) en de 1,2-m Schmidt-telescoop van de Palomar-sterrenwacht. En Steve Larson is met zijn Schmidt-telescoop van de universiteit van Arizona vooral bedreven in het opsporen van aardscheerders buiten het vlak van de ecliptica. Verder zijn er nog waarneemprogramma's bij het Observatoire de la Côte d'Azur, de sterrenwacht van Beijing, en ook de nationale sterrenwacht van Japan toont belangstelling. De geldkraan naar het effectieve programma van het Anglo-Australian Observatory is door de Australische regering dichtgedraaid, maar krijgt met steun van NASA wellicht een nieuwe kans.
Opsporing verzochtWat gaat er gebeuren als er inderdaad een gevaarlijke planetoïde wordt opgespoord? Ook over deze kwestie hebben deskundigen uit allerlei landen zich tijdens verschillende conferenties gebogen (zie ook Gehrels 1994). Onze kennis van de hemelmechanica en de rakettechniek lijkt ruimschoots voldoende om een projectiel naar zo'n aanstormende planetoïde te sturen. Maar hoe korter van tevoren de waarschuwing komt, des te onwaarschijnlijker wordt het dat we het object met een chemische explosie uit koers kunnen brengen. De enorme hoeveelheid energie die daarvoor nodig is, moet wellicht door kernwapens worden geleverd. Daarom is al in 1981 een beroep gedaan op kernwapendeskundigen om zich met deze problemen bezig te houden. In de verschillende landen is genoeg kennis aanwezig om binnen enkele maanden een afweersysteem van de grond te krijgen. Het zou in zekere zin heel bevredigend zijn als we deze verschrikkelijke wapens, die bijna tot onze ondergang hebben geleid, ooit zouden kunnen gebruiken om ons in leven te houden.Dit artikel is een bewerkte versie van een artikel van Gehrels dat eerder verscheen in Meteorite! (1998). De Spacewatch-programma's worden ondersteund door de National Aeronautics and Space Administration (NASA), de Air Force Office of Scientific Research en door privé- en bedrijfsgelden. Literatuur
Overgenomen uit Zenit, oktober 1999, blz. 417. © 1999 Stichting 'De Koepel' |
| Zenit start |