![]() |
Het ontstaan van sterren en planetenstelsels, door het oog van 'Hubble'Henny J.G.L.M. LamersSterrenkundig Instituut UtrechtSterren ontstaan uit grote stofwolken die zich onder invloed van hun eigen zwaartekracht langzaam samentrekken. Hoe dat gaat en hoe daaruit dan sterren en planetenstelsels ontstaan heeft de Hubble-ruimtetelescoop op bijzonder mooie wijze aan het licht gebracht. Dit geeft een fascinerend beeld van de wijze waarop 4,5 miljard jaar geleden ook de zon en ons planetenstelsel is ontstaan.Het is allang bekend dat sterren ontstaan uit grote donkere stofwolken.
Zulke stofwolken steken bij lang belichte opnamen als donkere plekken af
tegen de sterrenrijke achtergrond, omdat het licht van daarachter liggende
sterren niet door de stofwolk komt. Het stof in de stofwolken is heel koud,
slechts een tiental graden boven het absolute nulpunt. De stofkorreltjes
in de donkere wolken bestaan voornamelijk uit silicaten (een soort zandkorreltjes)
of koolstof (een soort roetkorreltjes) met een dun laagje ijs eromheen.
De korrels zijn minuscuul, met doorsneden van ongeveer een tiende micrometer.
Het zijn dus echte 'stofkorreltjes'. (Zie ook het artikel van Ewine van
Dishoeck en Willlem Schutte: 'Chemische processen tijdens de vorming van
sterren', Zenit 25 (1998), januari, p. 40, en het themanummer over het
ontstaan van planetenstelsels, Zenit 26 (1999), mei.)
Donkere stofwolken kunnen zeer grote afmetingen bereiken, tot 150 lichtjaar
diameter, en hun massa kan zelfs oplopen tot een miljoen zonsmassa's. Door
hun grote omvang zijn de dichtheden van zulke stofwolken -- ondanks de
reusachtige massa -- gering: slechts ongeveer 10-18 kg/m3 ofwel een paar
honderd tot duizend atomen per vingerhoedje. Dat is nog vele tientallen
malen ijler dan het best bereikbare vacuüm in laboratoria op aarde!
De vorming van sterren uit donkere wolkenAls een stofwolk eenmaal is begonnen met samentrekken, is er geen houden meer aan: hij krimpt steeds verder en de dichtheid blijft daarbij steeds toenemen. Als de wolk perfect homogeen was, zou er uiteindelijk één heel sterke concentratie ontstaan precies in het centrum van de wolk. Maar stofwolken zijn nooit helemaal homogeen, er zijn altijd klonters en wervelingen. Daardoor breekt de wolk bij het inkrimpen op in kleinere delen. Elk van die delen kan dan zelf verder samentrekken en daarbij weer verder opdelen. Dit 'fragmenteren' kan optreden, doordat de kritische massa die een wolk moet hebben om door zijn eigen zwaartekracht samen te trekken afneemt naarmate de dichtheid groter wordt (fig. 2).Het fragmentatieproces kan doorgaan totdat er uiteindelijk klonters van gemiddelde stermassa's ontstaan, d.w.z. van ongeveer 0,1 tot 100 zonsmassa's. Elk van die klonters trekt samen tot de temperatuur en dichtheid in het centrum hoog genoeg is voor kernfusie. Dan zijn het sterren geworden. Zo kunnen uit een stofwolk van ongeveer 100.000 zonsmassa enkele honderdduizenden sterren ontstaan. De meeste daarvan zijn heel licht, lichter dan een zonsmassa. Maar er zijn ook zwaardere sterren. In feite worden sterren gevormd over het hele massabereik van 0,1 tot 100 zonsmassa's.
In een stofwolk ontstaan de zware sterren het eerst. Dat komt doordat het samentrekken van een fragment van een wolk sneller gaat naarmate dat fragment zwaarder is. Als de zwaarste sterren eenmaal zijn gevormd, gaat er in de stofwolk iets veranderen. Zware sterren zijn heet en zeer helder als ze jong zijn: een jonge ster van meer dan dertig zonsmassa's heeft een helderheid van meer dan honderdduizend maal die van de zon en een oppervlaktetemperatuur boven de 35.000 K. Het grootste deel van hun straling wordt in het ultraviolet (UV) uitgezonden. Door de grote stralingshelderheid worden de stofdeeltjes van de stofwolk in de omgeving van zo'n ster afgebroken tot moleculen en vervolgens worden die moleculen afgebroken tot atomen. Die atomen worden dan door de UV-fotonen geïoniseerd, verhit en tot lichten gebracht (fig. 3).
Dus als een zware ster eenmaal is gevormd, creëert hij een holte
met heet stralend gas om zich heen. Naarmate de tijd verstrijkt wordt de
hete gasbel rondom de ster steeds groter. Dat komt enerzijds doordat er
steeds meer stof wordt omgezet in gas en anderzijds omdat de zo gevormde
hete gasbel gaat uitzetten (fig. 4).
De Adelaarnevel: erosie op kosmische schaalDe Hubble-ruimtetelescoop heeft het proces van omzetting van koud stof tot heet gas op een zeer fraaie wijze aan het licht gebracht. Figuur 5 toont de Adelaarnevel, ook wel M16 genoemd. Dit is een complex van lichtende gaswolken en donkere stofwolken op een afstand van 7000 lichtjaar. Het gas straalt een diffuus licht uit, terwijl de stofgebieden donker afsteken tegen de heldere achtergrond. Het meest opvallend zijn de drie 'stofzuilen'. De grootste heeft een lengte van 10 lichtjaar en een breedte van 2 tot 3 lichtjaar en bevat ongeveer duizend zonsmassa's aan materie. Hiervan is slechts één procent stof en de rest gas. Het is opvallend dat de drie stofzuilen in dezelfde richting wijzen en bovendien dat de toppen van de stofzuilen het helderst zijn. Dat is geen toeval!
Laten we daarvoor eerst eens kijken naar een opname van een groter gebied van de Adelaarnevel, gemaakt vanaf de aarde. We zien een gebied met veel diffuus stralend heet gas en donker stof dat zich uitstrekt over ongeveer 30 lichtjaar groot gebied. In het midden herkennen we de drie stofzuilen van figuur 5. Verder zien we veel heldere sterren. Oorspronkelijk moet dit hele gebied een enorme donkere stofwolk zijn geweest (groter dan het gebied van de foto), die door zijn eigen zwaartekracht begon samen te trekken. Door fragmentatie ontstonden er sterrenhopen met als eerste de zware, hete sterren.
De heetste sterren staan in een groepje boven in beeld. Dat is een jonge sterrenhoop (NGC 6611) met een leeftijd van ca. 2 miljoen jaar. De helderste sterren van het groepje zijn een miljoen maal zo helder als de zon! Deze sterren zenden zoveel UV-licht uit, dat zij verantwoordelijk zijn voor de afbraak van het meeste stof en de verhitting van het gas in het hele gebied! Het hete gas was oorspronkelijk alleen maar aanwezig rondom dat groepje hete sterren, maar het breidde zich geleidelijk over de hele nevel uit. Als een soort 'erosie' werd het stof overal afgebroken en tot gas omgevormd. (In de natuurkunde heet dit proces sublimatie.) Die erosie ging kennelijk niet overal even snel. De stofwolk bevatte grote 'klonters' die zich wat minder makkelijk lieten afbreken. De toppen van de drie stofzuilen zijn zulke klonters. Daar is de erosie langzamer gegaan. Door die klonters zat het stof daaronder 'in de schaduw' van de straling van de heldere sterrenhoop en werd dus ook nauwelijks afgebroken. Het stof dat zich op dezelfde afstand van de hete sterren bevond maar niet in de schaduw van een stofklont, is wel afgebroken. Zo bleven de stofzuilen langer beschermd tegen de erosie door de sterstraling. Dit proces is vergelijkbaar met het ontstaan van de grote rotspilaren in sommige Amerikaanse parken, bijv. in Monument Valley, onder invloed van winderosie (zie fig. 7).
Aan de toppen van de kolommen kunnen we de afbraak (sublimatie) van het stof mooi zien. Figuur 8 toont de top van de linker stofkolom uitvergroot. We zien duidelijk dat de top een onregelmatige vorm heeft en uit klonters bestaat. Het licht van de sterrenhoop NGC 6611 beschijnt de top. Door die straling wordt het stof afgebroken tot atomen die vervolgens door de UV-straling verhit worden. Het verhitte gas zet uit en vliegt weg. We kunnen die 'verdamping' zien als de streperige structuur, die aangeeft dat het gas vanaf de top van de stofzuil weg vliegt. De afbraak van interstellair stof is nog nooit zo duidelijk in beeld gebracht als op deze Hubble-opname!
Wat zal er uiteindelijk met de stofzuilen gebeuren? Langzaam maar zeker zullen ook zij door de straling van de hete sterren worden omgezet in gas. Maar heel waarschijnlijk worden er in die stofkolommen ondertussen sterren gevormd uit kleine concentraties die zich samentrekken. De straling van die sterren zou de stofzuilen ook van binnenuit kunnen afbreken, tenminste als er zware hete sterren worden gevormd in de stofzuilen. Nu is dat laatste niet zo waarschijnlijk. Als de condities in de stofzuil zo waren dat er zware sterren konden ontstaan, dan waren die al gevormd, want de zware sterren ontstaan het eerst. Dus waarschijnlijk zijn nu in de stofzuilen lichtere sterren aan het ontstaan. Als over een paar miljoen jaar de stofzuilen en de andere stofgebieden in de Adelaarnevel zullen zijn omgezet in heet gas, zal de nevel zijn veranderd in een heel grote lichtende gasnevel, met daarin een groot aantal sterren van allerhande massa's. De Orionnevel: een grot in een stof wolkLaten we nu eens kijken naar een stervormingsgebied waarin het stof al grotendeels verdwenen is: de Orionnevel. Figuur 9 toont de Orionnevel zoals we die kennen uit opnamen met grote telescopen vanaf de aarde. De rode nevel is een groot gebied van heet gas, met een temperatuur van ca. 10.000 K, met een diameter van 16 lichtjaar. In het hart van de nevel, in het heldere deel onderin, zit een klein groepje heel zware en hete sterren: de Trapezium sterrenhoop. Deze is, met zijn leeftijd van 300.000 jaar, een van de jongste sterrenhopen die we kennen. Een van die sterren, Q1 Orionis C genaamd, is zo heet en zendt zoveel UV-straling uit dat hij bijna in zijn eentje verantwoordelijk is voor het tot lichten brengen van de hele nevel!
De Orionnevel maakt deel uit van een veel groter stoffig gebied. Dat
zien we op de foto, want links onder zijn op deze lang belichte opname
slechts heel weinig sterren te zien, alleen de sterren die voor de stofwolk
staan.
Het eerste wat opvalt in figuur 10 is de scherpe grens tussen licht en donker aan de rechterkant. Dat is de steile 'wand' van de grot waarlangs we naar binnen kijken. We zien daar ook veel lichte slierten: dat is heet gas dat over de rand van de grot borrelt. Verder zien we een zeer onregelmatige achtergrond van de nevel met randen en kuilen. Daar kijken we tegen het 'plafond' van de grot. Dat plafond is onregelmatig, en door de belichting van de Trapezium sterren die in de grot zweven zien we hobbels en kuilen met hun schaduwen. In de Hubble-opname van de Orionnevel zien we dus de kraamkamer van stervorming nadat de sterren geboren zijn! Planetenstelsels in wording?De grote verrassing van de Hubble-opname van de Orionnevel was de ontdekking van tientallen sterren die omringd zijn met stofschijven. In totaal heeft men 110 sterren gevonden die in de grot zweven. Ongeveer de helft daarvan is omringd door een heldere afgeplatte structuur. Dat blijken stofschijven te zijn (zie fig. 10 en 11).
Die stofschijven worden proplyds genoemd, een samentrekking van
proto-planetary
disks (proto-planetaire schijven), omdat het planetenstelsels in wording
lijken. Zij bestaan uit het stof dat bij de vorming van de ster is achtergebleven.
Als het fragment van de stofwolk waaruit de ster ontstond roteerde, en
niet alle stof in de ster terecht is gekomen, zal het overgebleven stof
door de centrifugale kracht in een schijf rondom de ster gaan draaien.
Dat zien we als een proplyd.
De Canadese astronoom Doug Johnstone heeft berekend dat een typische
proplyd binnen ongeveer een miljoen jaar al zijn stof in de ruimte ziet
verdwijnen. Nu zou men kunnen denken dat het stof toch maar één
procent van het materiaal in de proplyd uitmaakt, dus dat er nog 99 procent
van het materiaal in gasvorm overblijft. Maar dat is niet zo. Als het stof
eenmaal weg is, kan de straling van Q1
Orionis C ook het gas verhitten en dat verdwijnt dan ook. Dus als zich
uit een proplyd planeten willen vormen, moet dat 'snel' (binnen ongeveer
een miljoen jaar) gebeuren en vooral in het binnenste van de stofschijf
waar de afbraak van het stof wat langzamer gaat.
En verder?Hoe zal het verder gaan met de prachtige stervormingsgebieden zoals de Adelaarnevel en de Orionnevel?Over een paar miljoen jaar zal al het stof verdwenen zijn en omgezet zijn in gas. Dan zullen het heldere gasnevels zijn geworden met daarin grote aantallen sterren. Over ongeveer tien miljoen jaar zal langzaam het gas verdwenen zijn. Dat is dan de ruimte in geblazen door de stralingsdruk van het licht van alle sterren en door de explosies van de zwaarste sterren die dan al aan het eind van hun leven zijn. Als het gas van de grote nevel verdwenen is en daardoor de zwaartekracht die alles bij elkaar hield begint af te nemen, zullen de sterren langzaam gaan afdwalen. Alleen de sterren in kleine sterhopen blijven bij elkaar. Over honderd miljoen jaar zullen de meeste sterren zover zijn afgedwaald, dat we ze niet meer herkennen als een grote 'familie' die ooit uit een grote stofwolk is ontstaan. Zo is ook de zon vermoedelijk ooit ontstaan uit een grote stofwolk, samen met misschien duizenden andere sterren. Maar dat is zo lang geleden -- 4,5 miljard jaar terug -- dat we de broertjes en zusjes van de zon niet meer herkennen tussen al die miljarden sterren van ons Melkwegstelsel. Overgenomen uit Zenit, september 1999, blz. 368. © 1999 Stichting 'De Koepel' |
| Zenit start |